De Onderwijsspiegel 2026 van de Vlaamse onderwijsinspectie schetst een onrustwekkend beeld van het Vlaamse onderwijs. Hoewel scholen volgens de inspectie vaak beschikken over een duidelijke visie en een degelijk beleidskader, blijkt de vertaling daarvan naar de klaspraktijk problematisch. Die kloof tussen beleid en praktijk vormt de rode draad doorheen het rapport.
Uit de cijfers blijkt dat slechts 37 procent van de doorgelichte scholen een volledig gunstig advies krijgt, terwijl het aantal ongunstige beoordelingen stijgt tot 18 procent in het basisonderwijs en zelfs 24 procent in het secundair onderwijs. Met andere woorden: bijna één op vijf scholen haalt de kwaliteitslat niet.
De kernproblemen situeren zich volgens het rapport op drie niveaus. Ten eerste is er een gebrek aan doelgerichte implementatie van beleid: afspraken worden onvoldoende opgevolgd en evaluaties sluiten niet altijd aan bij leerdoelen. Ten tweede zijn er didactische tekorten in de klas, zoals zwakke instructie, onvoldoende feedback en een gebrekkige afstemming op leerdoelen. Ten derde is er een tekort aan ‘nabij leiderschap’: directies zijn te weinig aanwezig op de klasvloer om beleid effectief te verankeren.
De inspectie pleit daarom voor meer focus, duidelijke prioriteiten, hoge verwachtingen en een sterkere opvolging van onderwijskwaliteit tot op klasniveau. Scholen moeten cyclisch werken, systematisch evalueren en hun werking bijsturen. Tegelijk benadrukt het rapport dat scholen ondersteund moeten worden en niet losgelaten mogen worden.
Vanuit syndicaal perspectief roept deze Onderwijsspiegel fundamentele vragen op. De analyse van de inspectie legt sterk de nadruk op tekortkomingen binnen scholen en bij leraren, maar blijft opvallend stil over de structurele randvoorwaarden waarin zij moeten werken.
Ten eerste is er de werkdruk. Leerkrachten opereren vandaag in een context van groeiende administratieve lasten, lerarentekorten en toenemende diversiteit in de klas. Het rapport wijst op het belang van ‘sterke instructie’ en ‘effectieve feedback’, maar zegt weinig over de tijd en ondersteuning die nodig zijn om dit waar te maken. Zonder structurele investeringen dreigt deze oproep neer te komen op een impliciete responsabilisering van individuele leraren.
Ten tweede is er de problematiek van ongelijkheid. Hoewel het rapport pleit voor hoge verwachtingen voor alle leerlingen, wordt onvoldoende erkend dat scholen steeds meer geconfronteerd worden met sociale ongelijkheid en taalachterstand. De verantwoordelijkheid voor gelijke kansen wordt zo grotendeels bij scholen gelegd, terwijl dit in essentie een maatschappelijke en politieke opdracht is.
Ten derde schuift de inspectie sterk het concept van ‘nabij leiderschap’ naar voren. Hoewel dit op zich waardevol kan zijn, dreigt het ook een ‘manager- logica’ te versterken waarbij directies meer controle en opvolging moeten uitoefenen. Vanuit syndicaal standpunt is het belangrijk te waken over de professionele autonomie van leraren en te vermijden dat toezicht evolueert naar micromanagement.
Daarnaast valt op dat de Onderwijsspiegel vooral focust op processen (didactiek, beleid, evaluatie), terwijl de discussie over middelen onderbelicht blijft. Nochtans tonen eerdere analyses en internationale studies aan dat dalende leerprestaties samenhangen met structurele onderfinanciering en een tekort aan ondersteuning. Door die dimensie te minimaliseren, dreigt het rapport de verantwoordelijkheid eenzijdig bij scholen te leggen.
Tot slot kan men zich afvragen of de toenemende inspectiedruk zelf geen deel van het probleem is. Wanneer scholen voortdurend moeten inspelen op doorlichtingen en kwaliteitskaders, bestaat het risico dat ze vooral ‘inspectieproof’ werken in plaats van pedagogisch doordacht. Dit kan leiden tot een verschraling van onderwijspraktijken.
Conclusie
De Onderwijsspiegel 2026 bevestigt dat de onderwijskwaliteit in Vlaanderen onder druk staat en dat er reële problemen zijn op de klasvloer. De analyse van de inspectie legt terecht de vinger op de kloof tussen beleid en praktijk en op didactische werkpunten.
Tegelijk blijft het rapport onvoldoende kritisch voor het bredere beleidskader. Syndicaal kunnen we stellen dat kwaliteitsproblemen niet los gezien kunnen worden van werkdruk, lerarentekorten en sociale ongelijkheid. Zonder structurele investeringen en vertrouwen in het professioneel handelen van leraren dreigt de ‘spiegel’ van de inspectie eerder een instrument van responsabilisering dan van ondersteuning te worden.
Echte onderwijskwaliteit vergt meer dan reflectie en opvolging: ze vraagt ook politieke keuzes, investeringen en respect voor de mensen die elke dag voor de klas staan.
|
Jean-Luc Barbery adjunct-algemeen secretaris Wil je de auteur contacteren? Stuur hem dan een e-mail. |

