Onwetendheid leidt tot onbegrip. En onbegrip kan de voedingsbodem worden voor polarisering en radicalisering.
De discussie over de vierdagenweek in het Brussels Nederlandstalig onderwijs verdient meer nuance en vooral een beter geïnformeerd debat. De vierdagenweek is in de eerste plaats bedoeld als een instrument om leerkrachten aan te trekken en te behouden. Zeker voor leerkrachten die dagelijks lange verplaatsingen moeten maken, kan dit een belangrijke reden zijn om voor het Brusselse onderwijs te blijven kiezen.
Daarmee dient de maatregel een dubbel maatschappelijk doel.
Ten eerste willen we voldoende leerkrachten in Brussel houden, zodat kinderen daadwerkelijk les krijgen van bevoegde en gemotiveerde onderwijsprofessionals. Een school mag immers nooit verworden tot een instelling die hoofdzakelijk kinderen opvangt. De kwaliteit van het onderwijs en de onderwijskansen van onze kinderen moeten centraal blijven staan.
Ten tweede biedt de woensdag de mogelijkheid om op het schooldomein sportieve en culturele activiteiten te organiseren, bij voorkeur in het Nederlands. Dat kan bijvoorbeeld in samenwerking met de Brusselse Nederlandstalige academies, sportverenigingen en culturele organisaties.
Het is nooit de bedoeling geweest om kinderen op woensdag aan hun lot over te laten of de opvangproblematiek te negeren. Integendeel. De ambitie moet zijn om de onderwijskwaliteit te versterken en kinderen meer kansen te geven om op een speelse en laagdrempelige manier in een Nederlandstalige omgeving te vertoeven.
Brussel heeft meer nodig dan schoolbanken
Vooraleer men kritiek uit op de vierdagenweek, is het belangrijk om zich eerst grondig te informeren over de achterliggende doelstellingen.
Ik zou het bijzonder waardevol vinden als Brusselse kinderen gedurende twee dagen per week op een laagdrempelige manier konden deelnemen aan activiteiten van een Nederlandstalige jeugdbeweging, muziekacademie, sportclub of culturele vereniging.
Dat is een ambitie die we moeten nastreven. Maar we moeten ook eerlijk zijn: de mogelijkheden om dat in Brussel te realiseren, zijn veel beperkter dan in Vlaanderen. Het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod is niet overal voldoende toegankelijk, bereikbaar of afgestemd op de noden van Brusselse gezinnen.
Daar ligt dus een belangrijke maatschappelijke opdracht. Niet door kinderen langer verplicht op de schoolbanken te houden, maar door het Nederlandstalige vrijetijdsaanbod te versterken en de samenwerking tussen scholen, verenigingen en academies uit te bouwen.
Meer schooldagen lossen geen maatschappelijk probleem op
Ook de link die soms wordt gelegd tussen jongerencriminaliteit en de organisatie van het onderwijs verdient een kritische benadering.
Criminaliteit los je niet op door kinderen uit kansarme wijken te verplichten om zes dagen per week naar school te gaan. Wie dat als oplossing naar voren schuift, dreigt een complex maatschappelijk probleem te herleiden tot een gebrek aan schooluren.
Bovendien bestaat het risico dat we net die kinderen die extra kansen nodig hebben, nog sterker stigmatiseren. Meer verplichtingen en minder ruimte voor vrije tijd, ontspanning, sport en sociale ontwikkeling zijn niet automatisch het antwoord op maatschappelijke uitsluiting.
Jongeren hebben nood aan perspectief, positieve rolmodellen, verbondenheid en kansen om hun talenten te ontdekken. Dat vraagt om een brede maatschappelijke aanpak waarin onderwijs, welzijn, jeugdwerk, sport en cultuur elkaar versterken.
Minder versnippering, meer middelen voor onze kinderen
Er is echter één fundamenteel punt waarop ik de kritiek op het huidige onderwijssysteem wel deel: de versnippering van middelen.
De vrijheid van onderwijs heeft in ons land geleid tot een complex landschap van verschillende onderwijsnetten en structuren. Die historische organisatie heeft onmiskenbaar haar eigen waarde en achtergrond, maar we moeten durven onderzoeken of de huidige versnippering nog altijd de beste garantie biedt op kwalitatief onderwijs.
Worden onze middelen vandaag voldoende efficiënt ingezet? Hoeveel middelen gaan naar parallelle structuren, administratie en organisatie, terwijl scholen en leerkrachten aangeven dat ze extra ondersteuning nodig hebben?
Ik pleit ervoor om minstens ernstig te onderzoeken hoe we de bestaande onderwijsstructuren kunnen rationaliseren en de samenwerking tussen de netten kunnen versterken.
Ook de manier waarop we binnen onze multiculturele samenleving omgaan met levensbeschouwing verdient een open en fundamenteel debat.
Waarom zouden we, naast de bestaande levensbeschouwelijke vakken, geen gemeenschappelijk vak inrichten waarin de verschillende religies en levensbeschouwingen op een geïntegreerde manier aan bod komen? Een vak waarin kinderen niet alleen kennismaken met de verschillende religies en overtuigingen, maar ook leren nadenken over ethiek, mensenrechten, maatschappelijke waarden, verdraagzaamheid en respect voor andersdenkenden.
Het gaat er niet om kinderen een bepaalde levensbeschouwing op te leggen, maar om hen kennis en inzicht bij te brengen. Onbekendheid met andere overtuigingen leidt immers gemakkelijk tot vooroordelen en onbegrip. Door kinderen al op jonge leeftijd met verschillende levensvisies in contact te brengen, creëren we ruimte voor dialoog, wederzijds respect en kritisch denken.
Zo’n aanpak kan bovendien bijdragen aan een samenleving waarin verschillen niet als een bedreiging worden ervaren, maar als een realiteit waarmee we op een respectvolle manier leren omgaan.
Want onderwijs moet meer zijn dan leren lezen, schrijven en rekenen. Het moet kinderen vormen tot kritische, zelfstandige en verdraagzame burgers, die hun eigen mening durven ontwikkelen, respect hebben voor andere overtuigingen en volwaardig kunnen functioneren in een diverse samenleving.
Kijk verder dan de schoolpoort
De discussie over de vierdagenweek mag dus niet worden herleid tot de vraag of kinderen vier of vijf dagen naar school moeten gaan.
De echte vraag is welke samenleving we voor onze kinderen willen organiseren.
Een samenleving waarin scholen alle maatschappelijke problemen moeten opvangen, of een samenleving waarin onderwijs, jeugdwerk, sport, cultuur en welzijn samen verantwoordelijkheid opnemen?
Brusselse kinderen verdienen dezelfde ontwikkelingskansen als kinderen in Vlaanderen. Dat betekent niet noodzakelijk dat ze meer uren op school moeten doorbrengen. Het betekent wel dat we moeten investeren in een breed aanbod waarin ze ook buiten de klassieke lesuren kunnen leren, ontdekken, sporten, musiceren en sociale vaardigheden ontwikkelen.
Laten we daarom het debat voeren op basis van feiten, doelstellingen en maatschappelijke verantwoordelijkheid, en niet op basis van veronderstellingen of vooroordelen.
Onwetendheid leidt tot onbegrip. Onbegrip leidt tot polarisering. En polarisering kan de voedingsbodem worden voor radicalisering.
Onze kinderen verdienen beter. Ze verdienen een onderwijsbeleid dat niet vertrekt vanuit angst of wantrouwen, maar vanuit vertrouwen, gelijke kansen en een visie op hun totale ontwikkeling.
|
Marc Borremans adjunct-algemeen secretaris Wil je de auteur contacteren? Stuur hem dan een e-mail. |

